Verkleind uit liefde
Ze had niet door wanneer het begonnen was, het verschuiven van haar grenzen. In het begin voelde het als liefde: ze wilde dat hij zich gezien voelde, begrepen, gerustgesteld.
Ze luisterde naar zijn stiltes, vulde de gaten in zijn woorden met haar begrip. En ergens, tussen zijn glimlach en haar aanpassing, werd ze kleiner. Niet ineens, maar beetje bij beetje.
Hij hoefde niets te zeggen, een opgetrokken wenkbrauw, een verzuchtend ‘laat maar’, en ze wist genoeg. Ze voelde het als falen. Ze dacht: ik heb iets niet goed gedaan, ik heb hem teleurgesteld. Dus probeerde ze beter te zijn. Zachter, verstandiger, handiger, minder veeleisend. Ze dacht dat liefde betekende dat je de ander tegemoetkomt, maar in dat tegemoetkomen verloor ze zichzelf uit het zicht. Hij had macht, maar niet de macht van geweld of bevel. Het was de macht van betekenis: hij bepaalde of zij van waarde was.
En zij gaf hem dat recht, omdat ze dacht dat liefde iets was wat je moest verdienen.
’s Nachts lag ze wakker en vroeg zich af waarom hij soms zo afwijzend kon zijn, en tegelijk, waarom ze hem niet kon loslaten, zelfs als ze zich leeg voelde naast hem. Ze hield van hem, maar het voelde steeds meer als blijven hopen op toestemming om te bestaan. Pas toen ze merkte dat ze zichzelf bijna niet meer hoorde denken, kwam de vraag die alles veranderde:
“Wat blijft er van mij over als ik niet langer probeer goed genoeg te zijn voor hem?”
Het antwoord kwam niet in woorden, maar in adem. Een klein besef dat haar borst iets ruimer maakte. Ze voelde dat ze zichzelf weer mocht innemen, niet om hem kwijt te raken, maar om zichzelf terug te vinden. Toen ze hem daarna aankeek, was er iets verschoven.
Niet in hem, maar in haar. Zijn blik had niet langer het laatste woord. Ze was niet meer kleiner uit liefde, maar groter uit zelfrespect.
Groter uit liefde
Ze had gedacht dat liefde betekende dat je de ander ruimte ga, maar ze had niet gezien dat ze die ruimte had gevuld met haar eigen stilte.
De eerste weken nadat ze hem minder vaak zag, voelde vreemd leeg. Alsof ze de grond onder haar voeten kwijt was. Ze wist niet meer wat ze moest doen met haar aandacht, haar zorg, haar drang om begrepen te worden. Er was geen blik meer om op te wachten. En juist daardoor begon ze zichzelf weer te horen.
Het begon klein: de geur van koffie in de ochtend, het ruisen van de regen tegen het raam, de zin om te schrijven zonder dat iemand meelas. Er kwamen woorden terug waarvan ze dacht dat ze verdwenen waren, woorden die niet om goedkeuring vroegen. Ze ontdekte dat nabijheid pas echt iets betekent als er afstand mag zijn. Dat liefde geen bewijs nodig heeft, maar aanwezigheid. En dat trouw zijn aan jezelf de enige manier is om echt trouw te kunnen zijn aan een ander.
Soms dacht ze nog aan hem. Niet met bitterheid, maar met helderheid. Ze zag hoe ze haar eigen verlangen had verward met zijn bevestiging. Hoe ze dacht dat hij haar compleet maakte, terwijl hij eigenlijk iets wakker had gemaakt wat altijd al van haar was: de behoefte om gezien te worden. Nu keek ze in de spiegel en zag zichzelf. Niet groter dan hij: gewoon volledig. En dat was genoeg. Ze begreep dat liefde niet verdwijnt als je jezelf terugneemt.
Ze verandert van vorm: van houvast naar verbinding, van angst naar vrijheid, van verkleind naar vergroot. “Ik houd nog steeds van hem,” dacht ze, “maar ik houd eindelijk óók van mij.”